De Omkar

De vertaling van mijn boek in het Engels is niet alleen maar een vertaling. Naast aanpassingen aan de laatste stand van zaken, correcties van fouten zitten er hele nieuwe stukken in en zelfs een volledig nieuw hoofdstuk. Op een van de uitbreidingen wil ik hier graag ingaan vanwege de opvallende overeenkomst van mijn idee van Kosmisch Bewustzijn met het symbool voor AUM. Dat symbool voor AUM wordt in het Sanskriet de Omkar genoemd.

Het model van het Kosmisch Bewustzijn dat de gehele kosmos omvat. © P.J. van Leeuwen.

Mijn model van het Kosmisch Bewustzijn, zoals ik dat in mijn boek omschrijf, kent een aantal niveaus:

  1. Topniveau: Het Kosmisch Bewustzijn dat alles-wat-is bevat.
  2. Een onvoorstelbaar groot aantal individuele fragmenten. Niet alle fragmenten zijn noodzakelijkerwijs altijd bewust van de gedeelde virtuele realiteit of zelfs maar bewust in de zin die wij eraan toekennen. De niet bewuste staat kan gezien worden als de staat van diepe slaap. Sommige fragmenten dromen hun individuele dromen, andere delen een gemeenschappelijke droom.
  3. Het gezamenlijke geheugen. Dit is een alles omvattende opslag van informatie. Die is nodig voor het kunnen delen van verhalen, geschiedenis en ervaring. Het opslaan van elke ervaring als informatie is verantwoordelijk voor de kwantumcollaps, het gebeuren dat de niet-fysieke kwantumgolf overgaat in het waargenomen object. Vanaf dat moment is die informatie beschikbaar voor alle individuele deelnemers aan de virtuele werkelijkheid. Deze informatieopslag, dat zou de Akasha Kronieken kunnen zijn.
  4. De gedeelde virtual reality droom. Dit is het universum dat we in wakende toestand ervaren als buiten ons bestaand, schijnbaar tegengesteld aan onze innerlijke wereld van gedachten en ervaringen.

Vergelijk bovenstaande niveau’s nu eens met die in de beschrijving van de betekenis van de Omkar zoals beschreven in de Mandukya Upanishad.

AUM als geheel stelt de ervaring van het oneindige, Kosmische Bewustzijn voor. Bron: Wilfredor – Wikipedia
  1. De eerste boog staat voor de normale staat van bewustzijn ofwel de materiële staat.
  2. De tweede – bijna gesloten – boog staat voor de droomstaat, de subtiele wereld.
  3. De grootste curve staat voor de diepe droomloze staat.
  4. De kleine curve staat voor de absolute werkelijkheid, atma, het zelf of puur bewustzijn.
  5. De kroon staat voor absolute overgave.

Wanneer 4 en 5 gecombineerd worden wordt dat de bindu genoemd, de staat van volledig ontwaken.

Het is zeker niet precies hetzelfde maar de overeenkomsten zijn opvallend.

Kwantumcoherentie en leven

Ik ben nu ‘Living Rainbow H2O’ aan het lezen. Een moeilijk boek ondanks dat de hoofdstukken kort en daardoor overzichtelijk zijn. De schrijfster, Dr. Mae-Wan Ho, gebruikt nogal wat afkortingen na eenmalig geïntroduceerde begrippen, zoals CD voor Coherent Domain. Iets wat nogal wat terugbladeren oproept. Maar het is wel eindeloos inspirerend.

Dr. Mae-Wan Ho heeft diepgaand onderzoek gedaan naar wat er zich afspeelt in levende wezens. In het algemeen worden de moleculaire structuren van cellen en virussen bestudeerd met elektronenmicroscopie. Maar de preparaten zijn dan al overleden aan de preparatie. Om met de microscoop naar levende organismen te kijken paste ze gepolariseerd licht microscopie toe, een techniek die al bestond maar tot dan alleen gebruikt werd om mineralen mee te bestuderen. Ze zag tot haar verbazing en verrukking alle kleuren van de regenboog in het levende 1 mm grote bewegende embryo van de fruitvlieg.

The Rainbow and the Worm

Ze zag het leven zich afspelen in al haar kleuren. Die kleuren waren niet alleen prachtig om te zien maar ze zeiden haar ook veel over de fysische processen die zich daar afspeelden. De levende cel bevat ongeveer voor 70 % water en het bleek haar dat de processen in en eigenschappen van water voor al die kleuren verantwoordelijk zijn. Water in levende cellen gedraagt zich als vloeibaar kristal dat de polarisatie van het licht door de cel verklaart. Dat gedrag blijkt essentieel te zijn voor de chemische processen die zich in levende cellen afspelen en het is iets dat met de elektronenmicroscoop nooit zichtbaar zal zijn. Uiteindelijk trekt ze de conclusie dat de bijzondere eigenschappen van water een grote rol spelen in de kwantumprocessen die zich daarin afspelen. Alle leven vertoont kwantumcoherentie. Het is hét kenmerk van leven. Volgens Ho zien we daar de sturende intelligentie van het bewustzijn aan het werk.

Wat is kwantumcoherentie?

Ik was het woord kwantumcoherentie al wel eens tegengekomen maar had er eigenlijk nooit veel aandacht aan besteed. Het komt in mijn boek niet voor. Wat ik me daarbij moest voorstellen was mij dus niet erg duidelijk. Opvallend is dat als je erop zoekt op het internet je direct relaties tegen komt met levende systemen en gezondheid. Ik heb er daarom een kleine studie aan gewijd waarbij ik ook tot een beter begrip kwam van de efficiency van bladgroen waar ik het in mijn boek over heb. Nadat ik vond dat ik een beeld had van kwantumcoherentie dat ik ook kon uitleggen, heb ik er een pagina op mijn website aan gewijd. Die pagina vind je hier. Lees ter vergelijking daarmee eventueel het recente artikel in NRC over het rommelige proces van de fotosynthese, een totaal andere benadering.

Levend water

Ho koppelt kwantumcoherentie aan leven en bewustzijn. Het is een uiting van het bewustzijn dat achter alle leven dat we waarnemen zit. Ook wijst ze in het onderstaand interview op haar bevinding dat water bij kamertemperatuur voor ca. 40% kwantumcoherent is. Als ik me nu de geweldige hoeveelheid aaneengesloten water op deze planeet voor de geest probeert te halen die dus voor 40% kwantumcoherent is krijg ik een niet te meer onderdrukken beeld voor ogen van een ontzagwekkend levend intelligent wezen waarin alle leven dat we kennen ooit ontstaan moet zijn. Doe eens een wandeling langs het strand, kijk over de zee en mijmer daar dan eens over.

Manifesteren wij de werkelijkheid?

Wat is de rol van het bewustzijn?

Er is nog steeds een grote groep wetenschappers die het bewustzijn liever buiten de deur van de kwantumfysica houdt. Maar dat lukt ze steeds minder voor zover ik dat kan beoordelen. De volgende video is daar een mooi voorbeeld van, alle argumenten die ik in mijn boek gebruik voor de rol van het bewustzijn komen in hoog tempo langs. Overtuigend gebracht. Heel informatief, aanrader voor degenen die mijn boek gelezen hebben. Aan het eind komt dan het verhaal van Wigners paradox en de boodschap dat de huidige inzichten zijn dat die interpretatie volgens de laatste inzichten niet meer nodig is maar dat die nieuwste inzichten eigenlijk alleen weggelegd zijn voor mensen met een zeer zeer diepgaande kennis van de kwantumfysica. Dat wordt dan in de nog komende vervolg aflevering verder toegelicht. Als ik mag gokken dan zal die dan gaan over de multiversum hypothese die inderdaad een groeiende groep aanhangers kent.

Consilience

Dat klopt inderdaad als ik zie wat ze in de volgende video te melden hebben. Welnu, als het alleen de kwantumfysica was die argumenten leverde voor het bewustzijn als primaire schepper van de realiteit dan zou ik wellicht ook tot de groep behoren die die hypothese met grote scepsis zou bekijken. Ik zou ook neigen naar multiversa. Maar als ik dan denk aan andere experimenteel of middels uitvoerig forensisch onderzoek bevestigde verschijnselen als het kunnen beïnvloeden van kwantumgeneratoren door proefpersonen, psychokinese, herinneringen aan vorige levens, nabij-de-dood ervaringen, telepathie, instrumentele communicatie met overledenen en alzheimer patienten, dan begin ik te zien dat al die zaken elkaar steeds sterker bevestigen. Dat samenbrengen van elkaar ondersteunende wetenschappelijke resultaten uit verschillende domeinen wordt consilience genoemd.

Niet geloven maar zelf onderzoeken

Probeer zelf maar eens of je de werkelijkheid kunt manifesteren. Serieus. Voor dat je daar aan begint raad ik wel aan om eerst het boek van Linda Dronkers-Steijn te lezen en de oefeningen die zij aanraadt serieus te proberen. Dat zou best eens een – aangename – verrassing op kunnen leveren.

You’re not even in there now

Zoals de mensen weten die mijn boek uitgelezen hebben of mijn cursus Kwantumfysica, Informatie en Bewustzijn gevolgd hebben ben ik niet van de club die meent dat ons brein onze geest produceert. Eerder het omgekeerde. Wat mij betreft een weloverwogen standpunt dat daarmee afdoende heeft afgerekend met mijn angst voor de dood, het grote niets dat voor ons allemaal in het verschiet zou liggen. Die angst heb ik dus volstrekt niet meer. Komt eigenlijk best van pas bij deze corona crisis. Vanuit die opvatting bekeken ben ik in de afgelopen tijd drie interessante publikaties, een presentatie op YouTube, een onderzoeksrapport en een recent boek, tegengekomen die ik hier graag onder de aandacht breng omdat ze elkaar bevestigen en versterken. Dat heet consilience.

SSE presentatie van Dr. Julie Beischel

Dr. Julie Beischel is directeur van het Windbridge Research Centre. Ze heeft een academische titel in geneeskunde en toxicologie en bestudeert al vele jaren met uiterst wetenschappelijke methoden controversiële zaken als mediumschap. Ze heeft mediums, die dus contact zouden hebben met overledenen, aan rigoureuze tests onderworpen volgens richtlijnen waar elk wetenschappelijk onderzoek een puntje aan kan zuigen zoals dubbel blinde tests en het herhaalbaar gecontroleerd produceren van resultaten. Daarenboven bezit ze ook nog een prettige dosis droge humor zoals uit haar presentaties blijkt. In juni 2019 gaf Julie een presentatie voor de SSE met als onderwerp de identificatie die wij met ons lichaam hebben en die aanzienlijk minder sterk blijkt dan we denken. Wij zijn er zo ‘uit’, blijkt. In haar presentatie gaat ze in op de manieren waarop we die oriëntatie maar al te makkelijk kwijtraken zoals bij de rubberen hand illusie, de snelheid waarmee ons lichaam zich vernieuwt, hoeveel niet-eigen leven in ons leeft zoals onze darmbacteriën en het recente onderzoek van Etzel Cardeña van de Lund universiteit dat zeer overtuigend bewijs voor de realiteit van psi presenteert. Julie vertelt over treffende (anecdotische) bewijzen van mediums die aantonen dat overleden familieleden zich nog zeer bekommeren om hun nog levende nazaten, over een geverifieerde bijna komische nabij-de-dood ervaring, over een Thaise jongen die zich een vorig leven als slang herinnert en in geverifiëerd detail heeft verteld over hoe die slang gedood werd. Kortom, je bent niet je lichaam, het is een tijdelijke avatar voor je echte ik, de echte speler, zoals bij een zelfgekozen gebruikersafbeelding op websites of in videospellen.

Bekijk Julie Beischels presentatie:

The Physical World as a Virtual Reality

Brian Whitworth heeft een paper, The Physical World as a Virtual Reality, gepubliceerd waarin hij uitstekende argumenten naar voren brengt voor het idee dat onze ervaringswereld een Virtual Reality (VR) is. Met de VR aanname zijn namelijk veel eigenschappen van onze ervaringswereld uitstekend te verklaren die juist niet goed rijmen met de gebruikelijke aanname van een fysieke werkelijkheid.

We beschouwen onze wereld als een objectieve realiteit, maar is dat zo? De aanname dat de fysieke wereld op zichzelf bestaat, wringt al geruime tijd met de opdracht om de bevindingen van de moderne fysica met het beeld van een objectieve fysieke werkelijkheid te assimileren. Objectieve ruimte en tijd zouden normaal moeten ‘zijn’, maar in onze hedendaagse wereld krimpt ruimte en vertraagt tijd. Objectieve dingen zouden inherent moeten bestaan, maar in onze wereld zijn elektronen uitgesmeerde waarschijnlijkheden die zich op fysiek onmogelijke manieren uitspreiden, tunnelen, superponeren en verstrengelen. Kosmologie voegt er nu aan toe dat ons universum ongeveer 14 miljard jaar geleden uit het niets is opgedoken. Dat is niet hoe een objectieve realiteit zich zou moeten gedragen!

Zijn voorstel onderzoekt de mogelijkheid, een die doorgaans zonder veel nadenken wordt verworpen, namelijk dat de fysieke wereld het resultaat is van een kwantumproces en dus virtueel. Wat hij voorstelt is niet onlogisch, onwetenschappelijk en zeker niet onverenigbaar met de moderne natuurkunde. Het is ook geen modern idee omdat de oorsprong ervan duizenden jaren teruggaat. Zijn voorstel is beslist relevant omdat de moderne fysica heeft ontdekt dat we eigenlijk in een héél vreemde wereld leven.

Denk aan de volgende contra-intuitieve maar experimenteel bevestigde gevolgtrekkingen van de algemene relativiteit:

  1. Zwaartekracht vertraagt de tijd,
  2. Zwaartekracht kromt de ruimte,
  3. Snelheid vertraagt de tijd,
  4. Snelheid doet de massa toenemen,
  5. De snelheid van het licht is een absoluut gegeven.

En de kwantumfysica leert ons ook nog eens uit haar experimenten:

  1. Teleportatie: kwantumobjecten die ‘tunnelen’ door een barrière,
  2. Sneller dan licht communicatie bij verstrengelde deeltjes,
  3. Creatie uit het niets,
  4. Meervoudig bestaan van deeltjes op verschillende lokaties (tweespleten experiment),
  5. Fysieke effecten zonder oorzaak (radioactiviteit).

Whitworth argumenteert luid en duidelijk dat een VR al deze vreemde effecten niet alleen uitstekend verklaart maar zelfs moet vertonen. Zoals bijvoorbeeld een Big Bang te verklaren is als het opstarten van het VR programma ‘Genesis’. Elk VR programma moet een begin hebben dat vanuit zijn bewoners gezien een ontstaan uit het niets lijkt. De maximale snelheid die in ons universum geldt, die Einstein gebruikte in zijn relativiteitstheorie maar niet verklaarde, is het ineens begrijpelijke gevolg van de processorsnelheid van de VR ‘computer’. Zo’n VR verenigt in haar verklaring de kwantumfysica en de relativiteitstheorie, iets wat de fysici na meer dan 100 jaar nog steeds niet gelukt is. Aan het eind van zijn betoog zet Whitworth een zeer overtuigende tabel neer waarin eigenschappen die een VR moet vertonen en daarnaast gezet de eigenschappen die wij in onze ‘fysieke’ wereld tegenkomen stuk voor stuk worden verklaard. Met andere woorden, onze lichamen zijn Avatars. Maar wie bestuurt die?

Kortom, lees zijn paper. Als het lukt met een open geest.

Evolution 2.0

Perry Marshall, computer programmeur en zakenman en internet marketeer, schrijft Evolution 2.0. Hij is geen bioloog en helemaal geen evolutiebioloog die alles wat leeft en groeit wil verklaren vanuit zuiver toevallige mutaties, waarbij er af en toe een gunstige optreedt die overleeft en zijn eigenschappen overdraagt, gecombineerd met het Darwinistisch overleven van het best aangepaste (lees gemuteerde) exemplaar in de populatie.

Marshall bekijkt de levende organismen, zoals de cel, vanuit het standpunt van de programmeur die codeert. Hij komt tot de conclusie dat DNA code is, niet een toevallig tot stand gekomen set instructies, maar een echte code die door de cel wordt gedecodeerd en uitgevoerd.

Hij beargumenteert met veel feitenmateriaal alsmede de informatietheorie van Claude Shannon dat die code met geen mogelijkheid tot stand gekomen kan zijn door toeval. Toeval genereert ruis en ruis vernietigt informatie. Altijd en onherstelbaar.

De mogelijkheid dat de code van DNA plus het vertaalmechanisme in de cel door willekeurige mutaties tot stand komt is astronomisch klein en zou een voorbeeld zijn van spontaan afnemende entropie. Iets wat we nooit waarnemen.

Daarmee lijkt hij op het eerste gezicht zich te scharen bij de aanhangers van ID, Intelligent Design. Maar hij kiest een tussenpositie. Hij ontkent de rol van evolutie door overleven van de best aangepaste niet. Maar het is slechts een van de factoren in de evolutie. En juist een van de minder belangrijke.

Hij zegt dit: als je een code tegenkomt die ook nog geïnterpreteerd en uitgevoerd wordt dan heb je een codeur nodig. Volgens hem is dat de cel. Of de intelligentie die de cel bestuurt. De cel is voor hem een uiterst complex en hoogst intelligent levend wezen dat zich actief en doelgericht aanpast aan zijn omgeving door zijn DNA aan te passen. Mutaties in het DNA zijn dus geen toevalstreffers maar aanpassingen van de cel in haar DNA in een poging om de uitdagingen van de omgeving teweer te staan. Hij draagt een enorme hoeveelheid overtuigend experimenteel bewijsmateriaal aan voor zijn stelling. Maar je gaat je wel afvragen waar zich die intelligentie die de cel vertoont ophoudt.

Consilience: Avatars, de wereld als VR en doelgerichte levende cellen

Als ik die drie uiteenlopende zaken bij elkaar zet dan resulteert dat voor mij in een behoorlijk compleet en logisch samenvallend beeld van de werkelijkheid zoals wij die in het dagelijks bestaan ervaren. Ondersteund door drie pijlers, PSI onderzoek, de fysische eigenschappen die een VR moet vertonen en experimenteel onderzoek aan erfelijkheid, rijst het beeld op van een wereld die zich afspeelt binnen een zeer geavanceerd computer game waarin levende wezens dienen als avatars voor iets dat het best omschreven kan worden als een bewuste geest. Met als doel ontwikkeling – evolutie 2.0 dus – door een voortdurend uitdagende omgeving.

Maar ook met ruimschoots gelegenheid voor plezier en schoonheid als we elkaar dat gunnen. De dood is alleen maar het einde van de avatar, niet van de bestuurder. Als het doel nog niet bereikt is dan pakken we een volgende avatar, reïncarnatie. En wat zegt vrijwel elke nabij-de-dood-ervaarder die het spel even had verlaten om er toch weer in terug te stappen omdat zijn doel nog niet bereikt was? Het ging vooral om liefde, onbaatzuchtige liefde voor de ander. Zonder enige uitzondering.

Terug naar boven.

Een bijzonder hardnekkig misverstand

Het duikt steeds weer op in berichten over kwantumverschijnselen: ‘Afhankelijk van de wijze waarop wordt gemeten manifesteert het kwantumobject zich als deeltje of als golf.‘ Nee, nee en nog eens nee, dat is wat mij betreft niet het juiste beeld.

Zo’n uitspraak wekt de indruk van een object dat zich weloverwogen aanpast aan de gebruikte meetmethoden en dan beslist of het zich als golf of als deeltje laat zien. Geen wonder dat veel mensen hier al afhaken.

Dit verkeerde beeld, dit misverstand, heeft zijn oorsprong in het beeld dat wij vanaf onze vroegste herinneringen binnengelepeld hebben gekregen. Het beeld van de wereld die onafhankelijk van ons bestaat en waarin wij de rol van toeschouwer vervullen, als een toevallige omstander die er ook net zo goed niet had hoeven te zijn. We zijn gewend om ons iets, een ding, voor te stellen als iets dat er gewoon IS en er altijd geweest is. Dat doen we zelfs als het zich al naargelang de manier waarop we ernaar kijken ineens totaal anders en uiterst dubbelzinnig voordoet, zoals bovengenoemd kwantumobject.

Creëren wij onze wereld?

Het is veel ongebruikelijker om ons voor te stellen dat het ding er is OMDAT we het waarnemen, dat het vóór onze waarneming niet bestond en ná onze waarneming er niet meer is. Als we dat zouden doen krijgt dan het ding eigenschappen die we doorgaans aan dromen en gedachten toeschrijven en niet aan ‘echte’ dingen. Die manier van voorstellen past slecht in het gebruikelijke beeld van de permanentie van onze wereld. Toch leert de kwantumwereld ons dat dat beeld van een objectieve permanente wereld hoogstwaarschijnlijk niet waar is.

Kijken naar het dubbele spleet experiment

Het dubbele spleet experiment is een cruciaal experiment in de kwantumfysica. Laten we daarom eens gaan kijken naar dat dubbele spleet experiment.

Electronen die worden afgevuurd op een dubbele spleet vormen een interferentiepatroon.

Als we een groot aantal deeltjes, fotonen, electronen of zelfs grote moleculen, door een dubbele spleet vuren dan onstaat er een interferentiepatroon. Dat is een patroon van lichte en donkere banden. Dat patroon ontstaat ook als we dat deeltje voor deeltje doen. Ook na lange tijd vuren blijken bepaalde gebieden niet of nauwelijks geraakt te worden, dat zijn de lichte banden in bovenstaand plaatje.

Zo’n interferentiepatroon is het gevolg van golfgedrag. Het treedt op als golven elkaar op bepaalde plekken versterken of uitdoven al naargelang respectievelijk hun synchrone gelijkgerichte of juist tegengestelde beweging. Bekijk dit YouTube filmpje voor een zeer verhelderende demonstratie van twee spleten interferentie.

Er is een mathematisch verband tussen de onderlinge afstanden van de banden van het patroon, de afstand tussen de spleten, de afstand van de spleten tot het scherm en de golflengte maar daar hoeven we hier niet op in te gaan om te begrijpen wat er plaatsvindt.

Een dergelijk interferentiepatroon ontstaat alleen als de golven dezelfde frequentie en golflengte hebben. Dat is het geval als twee golfbronnen synchroon trillen. De twee spleten fungeren hier als die bronnen die in fase trillen. De nogal schokkende gevolgtrekking die uit dit patroon wordt gemaakt is: ‘Elk deeltje vertoonde golfgedrag en moet dus ook een golf geweest zijn’. Dat geldt dus ook voor electronen en zelfs voor grote moleculen van meer dan 800 atomen.

Kijken bij de spleet

Als we nu het experiment nu zodanig aanpassen zodat we van elk deeltje kunnen vaststellen door welke spleet het is gegaan dan verdwijnt het interferentiepatroon en krijgen we een patroon dat je het beste kunt beschouwen als twee enkele spleet patronen die over elkaar heen geprojecteerd worden en daardoor eigenlijk niet meer te onderscheiden zijn van een enkele spleet patroon. Elk van de twee spleten produceert nu een enkele spleet patroon, een lichtvlek met de hoogste intensiteit in het centrum, op vrijwel dezelfde plek op het scherm.

De correcte conclusie is dat de golven die door de spleten heen gaan nu niet meer met elkaar interfereren. De relatie tussen die twee golven waardoor ze elkaar op vaste voorspelbare plekken uitdoven of versterken is verdwenen. De conclusie die nu vaak wordt getrokken dat we nu deeltjesgedrag zien slaat eigenlijk nergens op. Het enkele spleet patroon is nog steeds voor 100% golfgedrag, alleen we zien geen interferentie meer zoals die optreedt bij twee synchrone golfbronnen. Het lijkt er meer op dat elke golf die bij een deeltje hoort nu uit maar een van de spleten komt en niet meer uit allebei. En dat is precies wat er hier aan de hand is.

Hoe wij de wereld zien als een verzameling van dingen

.. we van elk deeltje kunnen vaststellen door welke spleet het gegaan‘. Let op hoe deze zin is geformuleerd. Impliciet zit hier de aanname al in dat er sprake is van een deeltje dat een traject aflegt en dat daarbij door een van de spleten reist. Dat is een vooronderstelling die voortspruit uit de manier waarop wij van kindsaf aan de wereld om ons heen hebben leren kennen. En het blijkbaar ontzettend moeilijk vinden om die los te laten. Een op een doel afgeschoten kogel is toch op elk onderdeel van het afgelegde traject geweest? Of niet soms?

De simpele hypothese: de waarneming laat het deeltje verschijnen

Probeer nu , al is het maar voor even, die vooronderstelling los te laten. Stel je het even voor, er is geen deeltje dat een traject aflegt, er is alleen maar een golf. Een golf die bijzonder intiem verbonden blijkt met onze waarneming van het deeltje. Hoe dat werkt stellen we hier nog even uit. Een golf die eindigt als wij een waarneming doen. Een waarneming wil dan zeggen dat wij vaststellen dat er een deeltje op dat moment en op die plaats was. Meteen nadat onze waarneming gedaan is, is het deeltje er niet meer maar is er weer een golf die daar begint waar wij het deeltje het laatst hadden waargenomen. Kijk nu met deze hypothese weer naar de versie van het dubbele spleet experiment waar we konden vaststellen door welke spleet het deeltje ging. Kunnen we het verdwijnen van de interferentie dan beter begrijpen?

Probeer daarom de volgende vijf logische stappen te volgen:

  1. Volgens deze hypothese is het de waarneming, in dit geval door welke spleet het deeltje ging, die het deeltje in een van de spleten liet verschijnen.
  2. Dat verschijnen in de spleet betekent impliciet het eindigen van de golf.
  3. Als de waarneming gedaan is dan was het deeltje er alleen maar ‘daar en op dat moment’ en vertrekt er onmiddellijk daarna weer een golf uit de spleet om uiteindelijk op het scherm achter de spleet terecht te komen.
  4. Aangezien het deeltje niet in beide spleten verscheen – laten we in elk geval maar aannemen dat er geen magische deeltjesverdubbeling plaatsvindt – hebben we nu nog maar één enkele golfbron.
  5. Er is nu dus wél een golf – tussen de dubbele spleet in het scherm – maar er is geen interferentie meer, aangezien we daar nu eenmaal twee synchroon trillende golfbronnen voor nodig hebben.

Hiermee geeft deze hypothese, de waarneming laat het deeltje verschijnen, een volledige en logische verklaring van het verdwijnen van de interferentie wanneer we gaan meten bij de spleet.

Twee in tijd achtereenvolgende waarnemingen in één experiment

Als de golf op het scherm valt dan nemen we daar een lichtpuntje waar. Dat is in principe ook weer een waarneming. Dus als we de meetopstelling zo inrichten dat we kunnen waarnemen in welke spleet het deeltje verscheen dan hebben een meetopstelling gecreëerd met twee achtereenvolgende locaties voor waarnemingen. Eén in de spleet en de ander op het scherm achter de spleten. Dat is het cruciale aspect in een experiment waar we meten bij de spleet.

We moeten dus niet zeggen dat het waargenomen object zich gedraagt als een golf of een deeltje afhankelijk van de manier van waarnemen. In beide opstellingen is het consequent zo dat er een golf is die telkens door een waarneming even resulteert in de manifestatie van een deeltje. In de opstelling waar we kijken in welke spleet het deeltje verscheen doen dus we gewoon twee achtereenvolgende waarnemingen waardoor een golf zich twee keer achtereen manifesteert als deeltje. De meting beïnvloedt direct het gemetene en twee achtereenvolgende metingen op twee locaties binnen de opstelling geven daarom logischerwijs een andere uitkomst dan een enkele meting alleen bij het scherm. Alsof je bij biljarten de rollende bal onderweg nog een stoot geeft en dan verbaasd kijkt dat dat het resultaat beïnvloed. Daar hoeven we dan echt geen intelligente bal voor te veronderstellen.

Er is een speler nodig om de ballen in beweging te brengen.

Geen deeltje en golf tegelijk maar een kansgolf

Als we er op die manier naar kijken dan is er dus geen sprake meer van een deeltje dat zich qua eigenschappen aanpast aan onze manier van meten. Het hele proces verloopt duidelijk en uiterst voorspelbaar, zolang we niet meten is het object dat we willen meten een golf, zodra we meten waar het object zich bevond en wanneer dat was vinden we het object als daar geweest zijnde. Het meten en de manifestatie van het object worden daarmee identiek!

Nu wordt de vraag wat die golf dan is en waaruit die bestaat natuurlijk levensgroot. Het antwoord op die vraag is al voorgesteld door de fysicus Max Born in het begin van de 20e eeuw. De kwantumgolf is in zijn voorstel een golf die op de juiste manier geïnterpreteerd de waarschijnlijkheid per plaats en tijd, waar en wanneer, voorstelt om het object aan te treffen bij een meting. De kwantumgolf geeft ons dus een voorspelling maar geen exacte. Het is een statistische, net als bij het werpen met een dobbelsteen de kans om precies een zes te gooien 1/6 is en dat de voorspelling van de gemiddelde uitkomst van een worp 3,5 is. Overigens ging Max Born er nog van uit dat het deeltje door de golf ‘geleid’ werd. Die interpretatie is later losgelaten.

Kwantummechanica is statistiek

Statistiek is dé manier waarop in de kwantummechanica zeer precies de resultaten van experimenten worden voorspeld. Bij de grote aantallen elementaire deeltjes die bij objecten groter dan een paar micrometer al spelen is de uitkomst aan de hand van deze kansen uiterst precies te voorspellen. Net zo als de gemiddelde uitkomst van honderd miljard keer werpen met een ideale dobbelsteen precies 3,5 zal zijn met een afwijking die we pas ergens na de 8e decimaal zullen vinden. Veel kwantumfysici willen wel aanvaarden dat het deeltje zich slechts bij meting manifesteert maar over hoe de meting dat doet zijn ze het onderling nogal oneens gezien het grote aantal verschillende interpretaties. De meeste interpretaties proberen de objectieve permanentie van de wereld te redden maar slagen daar nog steeds niet overtuigend in. In technische toepassingen gebruiken kwantumfysici gewoon de statistische berekeningsmethoden – shut up and calculate – en laten de interpretatie over aan de twistende theoretici.

De eenvoudigste verklaring is meestal de beste

Zoals ik in het begin al schreef betekent de aanname, dat het ‘ding’ alleen verschijnt omdat we kijken en dat het er niet is als we niet kijken, dat de werkelijkheid die we waarnemen dezelfde kwaliteit krijgt als gedachten en dromen. Als dat nu de aanname is die ons de meest simpele ondubbelzinnige verklaring geeft van het dubbele spleet experiment dan is die misschien toch niet zo gek als het u waarschijnlijk aanvankelijk in de oren klonk. We kunnen ons met deze hypothese elk onderdeel in het dubbelspleet experiment goed voorstellen zonder te pogen om deeltjes die tegelijkertijd golven zijn te visualiseren. Wellicht is het idee dat de wereld er altijd is, onafhankelijk van ons, een zeer hardnekkig misverstand. Dat is mijn overtuiging. De wereld is er omdat wij die waarnemen. Dat geldt dan ook voor het Covid-19 virus uiteindelijk. Natuurlijk roept dat weer een aantal andere vragen op. Kijkt u daarvoor maar eens op een andere pagina op deze website.

Wat is werkelijkheid eigenlijk?

De kwantumfysica vertelt ons dus een heel andere boodschap dan onze zintuigen. De wereld bestaat omdat wij die al ervarend creëren. Als dat nog niet geloofwaardig mocht zijn, bekijk dan eens deze video.

Kwantum onzekerheid

Kwantumfysica is nog geen theorie, betoogt Tim Maudlin, omdat kwantummechanica nog steeds alleen een receptuur is, een formalisme, dat geen ontologische visie op de wereld biedt. Helemaal mee eens.

Gerard ’t Hooft hoopt nog steeds op een theorie met een objectieve werkelijkheid die intussen wel op informatie zou berusten.

Roger Penrose hoopt op de interactie tussen de microtubuli in onze neuronen, de zwaartekracht en het bewustzijn.

Chiara Marletto wijst vooral op de onverenigbaarheid tussen de ‘scherpe’ relativiteitstheorie en de ‘onscherpe’ kwantumwereld.

Philip Ball erkent volmondig de afwezigheid van eigenschappen van het kwantumobject totdat het object gemeten wordt, de non-lokaliteit ervan, maar biedt ons alleen woorden aan zonder ontologische betekenis waarmee we ons maar tevreden zouden moeten stellen zodat de ‘weirdness’ weggaat.

Kijk en luister.

Zolang het bewustzijn niet als primair wordt erkend komen onze topfysici niet veel verder in ons begrip van hoe de werkelijkheid nu echt in elkaar steekt. Een impasse die nu al bijna 120 jaar duurt. Dat is in elk geval zoals ik het zie.

Experimentator effect?

In TVP 86 (Tijdschrift voor parapsychologisch onderzoek) kom ik een artikel tegen van professor Dick Bierman betreffende het experimentator effect dat onvoorzien is opgetreden bij een experiment dat ik in mijn cursus – en ook in mijn boek – ten tonele voer als bevestiging van het de rol van het bewustzijn bij beïnvloeding van de interferentie van een twee-spleten experiment. Het experimentator effect is dat de verwachting van de experimentator de uitkomst van het experiment zodanig beïnvloedt dat die uitkomst diens verwachtingen bevestigd. Geen beste boodschap voor mijn cursus respectievelijk boek op het eerste gezicht. Maar op het tweede gezicht is het experiment juist een prima bevestiging van mijn opvatting dat het bewustzijn de ervaren werkelijkheid én haar historie creeert.

Uitslag beïnvloed door weglaten van onwelkome resultaten

Dubbele spleet beïnvloeding door de geest

Het artikel van Bierman betreft een experiment van Dean Radin waarbij proefpersonen gevraagd worden om zich te concentreren op een dubbele spleet opstelling in een electromagnetisch afgeschermde ruimte en zich daarbij voor te stellen dat de fotonen door een bepaalde spleet gaan. Het is zo langzamerhand wel experimenteel bevestigd en ook een door fysici geaccepteerd feit dat het inwinnen van informatie over welke spleet het foton op weg naar het scherm passeert het interferentiepatroon laat verdwijnen. Een veel geopperde verklaring daarvoor is dat die informatie de toestandsgolf al in de spleet in doet storten zodat het foton zich daar manifesteert. Onmiddellijk daarna ontstaat er dan weer een nieuwe toestandsgolf vanuit het in die ene spleet gemanifesteerde foton die tenslotte op het scherm als een waargenomen lichtpuntje arriveert. Maar aangezien er dan geen synchrone toestandsgolf uit de andere spleet meer komt kan er ook geen interferentie meer plaatsvinden waardoor het lichtpuntje ook op een normaal donkere plek terecht kan komen. Dus buiten de interferentie’banden’. Daar heb je nu eenmaal twee golven voor nodig.

Dubbele spleet experiment met intensiteitsverdeling op scherm

Er zijn tussen 2011 en 2014 zes series experimenten uitgevoerd, met in principe steeds dezelfde opzet. Proefpersonen werden gevraagd om met hun geest te proberen om het foton door één spleet te laten gaan. Als hun dat zou lukken dan zou, volgens de hypothese, de interferentie minder scherp worden, omdat, zoals hierboven uitgelegd, informatie over welke spleet het foton passeert de interferentie doet verdwijnen.

Experimentele opzet bij experimenten 1 t/m 4 zoals beschreven in de publikatie. De proefpersoon zit in de stoel, T3 is het dubbelspleet apparaat inclusief laser, dubbelspleet en CCD voor registratie van het interferentiepatroon . De PC is voor het tonen van het fringe-effect.

Het afnemen van de interferentie werd bepaald en vastgelegd door het verschil in helderheid tussen een maximum en een minimum te meten. De zogenaamde fringe-index. De procedure was enigszins geavanceerder dan dat maar in principe komt het daarop neer. De experimenten zijn in totaal zeven keer uitgevoerd, de zevende keer in 2013 en 2014 online, dus met proefpersonen via het internet op fysiek grote afstand van het experiment. Het totaal aantal sessies in de eerste zes experimenten (niet online) was 250 met 153 deelnemers, in het online experiment was dat 5738 sessies met 1479 deelnemers.

De totale uitkomst was dat er inderdaad een significant effect was met een kans van minder dan 1:166.000 op toeval. De proefpersonen kregen van tevoren uitgelegd wat het experiment behelsde en om ze te helpen bij het concentreren op de dubbelspleet kregen ze feedback door het verloop van de fringe-index te tonen op een scherm in de vorm van een lijn die omhoog (verslechteren) of omlaag (verbeteren) bewoog. Ze konden dus onmiddellijk hun resultaat zien en dát blijkt belangrijk.

Een programmeerfout en het einde van een interessante hypothese

Het computerprogramma dat de fringe-index aan de proefpersonen toonde bleek in de verbeterde 2014 versie een programmmeerfout opgelopen te hebben, zodanig dat het teken van de fringe-index consequent werd omgekeerd. Een verslechtering werd, vanwege die aanpassing aan het programma, getoond als een verbetering en omgekeerd. Wat bij die sessies van 2014 als een verslechtering van de fringe-index werd geïnterpreteerd door de proefpersoon bleek juist een verbetering ervan te zijn, het tegengestelde van de verwachting dus. De uitslag van het onderzoek van 2014 was dus ook dat er een significante verbetering van de fringe-index werd geconstateerd. Ineens gaf het experiment regelrecht aan de verwachting van de experimentatoren tegengestelde resultaten.

Dat betekent dat het idee van de directe beïnvloeding van de fotonen zoals die door de spleten zouden gaan van de tafel was. De visuele en auditieve terugkoppeling plus wat de proefpersonen daarover was geïnformeerd toonden dus consequent een positieve correlatie met hun pogingen om de getoonde fringe index ‘positief’ te beïnvloeden, in de richting dus van verslechterde interferentie. Maar het betekende nu dat bij deze ‘verkeerde’ sessies het interferentiepatroon juist verbeterde – scherper werd – in plaats van te verslechteren. Dat is niet meer in overeenstemming te brengen met de hypothese dat geconcentreerde aandacht fotonen in de spleten zou manifesteren.

De betere interpretatie

Wat betekent deze uitslag dan wel? Wat niet te ontkennen valt is dat de proefpersonen er in slaagden om met hun geest de interferentie meetbaar te beïnvloeden. Niet door aan fotonen in spleten te denken maar simpelweg door een lijntje op een scherm omhoog te proberen te ‘denken’. Net zoals de proefpersonen bij Helmut Schmidt de opdracht kregen om meer groene dan rode lampjes op te laten lichten. Dat die lampjes gestuurd werden door een QRNG die willekeurige nullen en enen produceerde die de lampjes aanstuurden is een technisch gegeven maar dat was niet de opdracht aan de proefpersonen. Die werden ook niet gevraagd meer nullen dan enen uit de QRNG te laten komen. Bedenk ook dat die nullen en enen op hun beurt weer een interpretatie zijn van elektrische spanningsverschillen.

Mensen blijken dus in elk geval in staat om de materiële werkelijkheid die ze waarnemen te beïnvloeden. Maar die beïnvloeding moet blijkbaar wel geholpen worden door een min of meer direct ervaarbare terugkoppeling zoals een lampje of een stipje op een scherm. In mijn ogen is dat zelfs bijzonderder dan directe effecten op fotonen. Het gaat hier om beïnvloeding van de onderliggende oorzaken van de waargenomen werkelijkheid zonder dat bewust aan de oorzaken gedacht wordt. De processen ‘onder de motorkap’ van die werkelijkheid worden dus zodanig beïnvloed dat datgene wat we waarnemen ‘meebeweegt’ met wat onze geest verwacht. Alsof je je auto bestuurt door op je tomtom een andere route op te geven.

Om namelijk de lijn op het scherm omhoog te laten bewegen moest, bij het gebruik van het 2014 computerprogramma, de interferentie verscherpen in plaats van verslechteren. Interferentie is de uitkomst van een kwantumfysische waarschijnlijkheidsverdeling. De intentie van de proefpersonen om de lijn op het scherm omhoog te bewegen had dus invloed op die waarschijnlijkheidsverdeling en wel zodanig dat de waargenomen werkelijkheid, de manifestatie van die waarschijnlijkheden, meer aan hun verwachtingen ging voldoen.

Het lijkt mij in elk geval onwaarschijnlijk dat de proefpersonen in staat waren met hun geest de lijn op het scherm rechtstreeks te beïnvloeden en dat die beweging omhoog op zijn beurt weer een in de tijd terugwerkend effect had op de interferentie. Dat is omgekeerde causaliteit. De interferentie was er in tijd namelijk eerder, al was het maar een microseconde, dan het beeld op het scherm. Daar zat namelijk een computerproces tussen dat nu eenmaal tijd nodig had.

Creeren wij de historie van de gebeurtenissen?

Dus inderdaad heeft de geest blijkbaar invloed op de kwantumtoestanden die onder onze werkelijkheid zitten maar we hoeven die onderliggende kwantumtoestanden zelf niet bewust te kennen. We veranderen onbewust de basis van de waargenomen werkelijkheid en daarmee creëren we ook de hele historie van de fysische gebeurtenissen die uiteindelijk tot de bedoelde uitkomst leiden. Dát is nog eens een krachtige vaardigheid van de geest!

Imaginaire fotonen

Physics – Focus: Measuring the Shape of a Photon

Elders op deze website zijn argumenten gepresenteerd voor de opvatting dat fotonen niets meer zijn dan denkbeeldige deeltjes die geen werkelijk fysiek bestaan hebben. Het foton als deeltje is prima bruikbaar als model in diverse verklaringen maar bij uitgestelde kwantumwisser experimenten schiet dat model duidelijk tekort. Het is wellicht beter om het oorspronkelijke idee van Planck te volgen en alleen te spreken van de uitwisseling van EM-energie pakketjes en om je niet proberen voor te stellen dat die pakketjes een weg afleggen.

Als het klopt dat het slechts imaginaire deeltjes zijn dan kun je je gaan afvragen waar iemand mee bezig is als die met zijn geest denkbeeldige fotonen door één van de twee spleten tracht te sturen. Zoiets is natuurlijk gedoemd te mislukken als ze niet bestaan. Ook de verklaring dat het foton zich in de spleet manifesteert als daar geobserveerd wordt wordt nogal wankel. Want wat betekent dat? De manifestatie van een puur energiepakketje? Eenvoudiger is mijns inziens aan te nemen dat bij een observatie, die informatie over het foton oplevert, de niet fysieke toestandsgolf zich aanpast aan die informatie en nog slechts door één spleet gaat zodat de interferentie verdwijnt. Meer veronderstellen is niet nodig.

Experimentator effect?

Is dit nu een experimentator effect? In elk geval niet in de zin dat de experimentator resultaten negeerde die hem niet welkom waren. Toen Radin de softwarefout en het resultaat ervan ontdekte publiceerde hij dit uitgebreid in 2016 in Physics Essays nr 29 (lees sectie D paragraaf 3). Het idee dat mensen met hun geest fotonen direct zouden kunnen manifesteren in een van de spleten was meteen van tafel. Wat overeind bleef was dat mensen wel met hun geest invloed kunnen uitoefenen op de waarschijnlijkheidverdeling in de toestandgolf, dat ze dat niet rechtstreeks doen maar dat ze dat doen door een direct waarneembaar verschijnsel te beïnvloeden.

Is het nu een effect dat bewerkstelligt wordt door de verwachting/wens van de experimentator of die van de proefpersonen? De proefpersonen werden duidelijk op de hoogte gesteld van het doel van het experiment en wat de verwachting was. Diegenen die regelmatig mediteerden presteerden meetbaar veel beter dan de niet-mediteerders. Maar wat er uiteindelijk toe deed was de methode van feedback, een lijn op het scherm die omhoog zou gaan indien het de proefpersoon lukte om de uitslag van het experiment positief te beïnvloeden. Blijkbaar verwachtten de meeste proefpersonen dat hun dat zou lukken. Voor wat de experimentator betreft, die is voorzover ik weet meer geïnteresseerd in geest-materie wisselwerking, die hier ondubbelzinnig is aangetoond, dan op de mogelijkheid dat onze geest fotonen rechtstreeks zou kunnen beïnvloeden.

Zelf experimenteren?

Op het internet is de ANU Quantum Random Numbers Server te vinden. Daar kun je zelf experimenteren met het genereren van kwantum gegenereerde getallen. Een van de mogelijkheden daar is proberen of je het verschijnen van rode stippen in een 16 x 16 rooster kunt beïnvloeden.

Resultaat van willekeurig met een kwantumproces gegenereerde coördinaten in een 16 x 16 rooster. Probeer bijvoorbeeld de heldere rode stippen te ‘dwingen’ om in het centrum te verschijnen. Maak van elke sessie een screenshot en bekijk dan het resultaat van een groot aantal sessies. Gooi de ‘mislukte’ shots dus niet weg.

Een recensie van Kwantumfysica, informatie en bewustzijn in Terugkeer naar Levenslicht

In het zomer&najaarnummer van Terugkeer naar Levenslicht, een uitgave van het netwerk nabij-de-dood-ervaringen, is een lovende uitgebreide recensie verschenen van Kwantumfysica, informatie en bewustzijn. Dat het boek in die kringen gelezen en gewaardeerd wordt is niet verwonderlijk want het geeft de lezer een door de fysica wetenschappelijk onderbouwde bevestiging van de stelling dat het bewustzijn niet door de hersenen geproduceerd kan zijn. Iets dat een welkom steuntje in de rug kan zijn voor mensen die een NDE gehad hebben en die in hun omgeving de tot nog toe gebruikelijke ontkenning van de werkelijkheid van hun ervaring ontmoeten. Download de recensie hier.

Aristoteles en de tijd

Naam: Aristoteles
Geboren: Stageira, 384 v.Chr.
Overleden: Chalkis, 322 v.Chr.
Land: Polis Athene, Macedonië
Functie: filosoof
Afbeelding Publiek domein, https://commons.wikimedia.org

Het blijkt interessant om de gedachten van Aristoteles over de tijd naast mijn inzichten over de tijd en de kwantumfysica te zetten. Er zijn treffende overeenkomsten.

Een citaat uit Fysica, boek 4.11:

But neither does time exist without change; for when the state of our own minds does not change at all, or we have not noticed its changing, we do not realize that time has elapsed, any more than those who are fabled to sleep among the heroes in Sardinia do when they are awakened; for they connect the earlier ‘now’ with the later and make them one, cutting out the interval because of their failure to notice it.


So, just as, if the ‘now’ were not different but one and the same, there would not have been time, so too when its difference escapes our notice the interval does not seem to be time. If, then, the non-realization of the existence of time happens to us when we do not distinguish any change, but the soul seems to stay in one indivisible state, and when we perceive and distinguish we say time has elapsed, evidently time is not independent of movement and change. It is evident, then, that time is neither movement nor independent of movement.

Aristoteles zegt hier dus dat tijd niet bestaat zonder verandering die door ons [bewustzijn] waargenomen wordt. Als er geen verandering wordt ervaren dan ervaren we ook geen tijd. Tijd is dus niet de beweging maar is er ook niet onafhankelijk van.

Now we perceive movement and time together: for even when it is dark and we are not being affected through the body, if any movement takes place in the mind we at once suppose that some time also has elapsed; and not only that but also, when some time is thought to have passed, some movement also along with it seems to have taken place. Hence time is either movement or something that belongs to movement. Since then it is not movement, it must be the other.

Als we een ‘voor’ en een ‘na’ waarnemen, dus een verandering, dan is er tijd. Maar tijd is niet de verandering. Het is een vergelijking tussen twee nu-momenten. De opeenvolging leggen we er zelf in door er een ‘voor en ‘na’ aan toe te kennen.

When, therefore, we perceive the ‘now’ one, and neither as before and after in a motion nor as an identity but in relation to a ‘before’ and an ‘after’, no time is thought to have elapsed, because there has been no motion either. On the other hand, when we do perceive a ‘before’ and an ‘after’, then we say that there is time. For time is just this-number of motion in respect of ‘before’ and ‘after’.

Het ‘nu’ verandert zelf niet maar de in elk ‘nu’ vastgelegde momenten wel.

De uitgestelde kwantumwisser

Deze visie op tijd van Aristoteles doet me sterk denken aan de gevolgtrekkingen die we kunnen maken uit de resultaten van de uitgestelde keus kwantum wisser experimenten. Bij een eenvoudig dubbelspleet experiment ontstaat er altijd waarneembare interferentie achter de dubbelspleet. Een patroon van donkere en lichte banden. Of er nu fotonen, electronen, atomen of grotere moleculen op de dubbelspleet worden afgevuurd.






Opbouw van het interferentiepatroon in de tijd bij het tweespletenexperiment uitgevoerd met elektronen.
Provided with kind permission of Dr. Tonomura to Wikimedia Commons

In de uitgestelde keus experimenten worden in principe ook fotonen door een dubbelspleet gezonden maar daarbij wordt ook informatie verzameld over welke spleet het foton gepasseerd heeft. De gemeten informatie over de gepasseerde spleet wordt willekeurig vastgelegd dan wel onherroepelijk vernietigd om na te kunnen gaan wat het effect is van informatie over de gepasseerde spleet op het interferentiepatroon. De resultaten zijn conform de voorspellingen van de kwantum mechanica maar desalniettemin intrigerend.

  • Indien er informatie beschikbaar is over welke spleet door het foton is gepasseerd wordt het resultaat van het experiment zodanig beïnvloed (geen interferentie) dat de conclusie moet zijn dat de toestandsgolf van het foton zich al in de spleet als fysiek foton gemanifesteerd moet hebben (de kwantumcollaps).
  • Het experiment is zodanig opgezet dat het moment dat die informatie gemeten en geregistreerd wordt in tijd ligt na het verschijnen van het foton in de spleet.

Dit lijkt op het eerste gezicht op een werking die in het verleden terug reikt. Retrocausaliteit dus. Dat wil niet zeggen dat we het verleden kunnen veranderen, eenmaal gemeten ligt het onherroepelijk vast. Maar zodra we de actieve waarnemer erbij betrekken is retrocausaliteit niet meer nodig als verklaring. De waarnemer legt dan door zijn bewuste observatie namelijk op dat moment de volgorde van de gebeurtenissen pas vast. Het is dan niet de instrumentele detectie van de spleet-passage die een effect uitoefent op het interferentiegedrag van het foton. De historie – de opeenvolging van nu-momenten – wordt vastgelegd door de beschouwing van de waarnemer. Dat is tijd.

Kortom, de kwantumfysica lijkt de ideeën van Aristoteles over tijd te bevestigen. Er tekent zich nu een belangrijk verschil af tussen ervaren tijd en klokketijd. De laatste werd in de 16e eeuw door Newton geïntroduceert als de enige tijd die in de fysica van belang was. Daarmee werd de waarnemer dus buiten spel gezet, die was niet meer van belang in het fysieke universum. De kwantumfysica lijkt de ervaren tijd weer terug te brengen als iets dat ook in de fysica een rol speelt waarmee de waarnemer als informatieverwerker weer een actieve deelnemer wordt aan het universum.

In 1 jaar meer dan 500 boeken verkocht

Ik ben hier heel blij mee. In één jaar tijd zijn er van mijn boek dus ruim 500 boeken verkocht via de boekhandels. De boeken die afgezet zijn via vrienden, kennissen en cursisten zijn hier niet meegeteld. Het werk is dus zeker niet voor niks geweest.

Intussen ben ik bezig aan de engelstalige versie waar ook een nieuw hoofdstuk over consilience aan wordt toegevoegd. Dit is de inleiding van dat hoofdstuk :

14 Consilience

From Wikipedia:

In science and history, consilience (also convergence of evidence or concordance of evidence) is the principle that evidence from independent, unrelated sources can “converge” on strong conclusions. That is, when multiple sources of evidence are in agreement, the conclusion can be very strong even when none of the individual sources of evidence is significantly so on its own. Most established scientific knowledge is supported by a convergence of evidence: if not, the evidence is comparatively weak, and there will not likely be a strong scientific consensus.

In this book, starting with the scientific revolutions of de 17th century and, following the threads of its developing history until today, we have arrived at a perhaps baffling and remarkable result, hard science – physics – today is not in conflict with the idea of the existence of an of the body independent consciousness, also called the survival hypothesis. On the contrary, it supports it.

However, should this idea only surface after studying quantum physics and nowhere else in the science domain, this support would be as whacky as a table supported by only one leg. Therefore, the question is, is survival supported by published scientific research in other domains? Indeed, it is. Some of this research was already mentioned in preceding chapters. It is time now to pay a little bit more attention to all published and reviewed evidential material concerning consciousness being independent of the material body.