Errata 2e druk

Er zijn gelukkig zeer kritische lezers die in de 2e druk toch nog fouten ontdekken en die me daar vriendelijk van op de hoogte stellen. Hun verbeteringen treft u hieronder vetgedrukt en onderstreept aan.

Pag 77:Het zonnestelsel model van het atoom kan echt niet

Het klassieke model van rond een positieve kern cirkelende elektronenbolletjes stuitte op serieuze problemen:

  • Waarom zijn de banen van de elektronen rond het atoom bolvor­mig en niet cirkelvormig zoals bij planetenbanen?  Het water­stofatoom met maar een enkel elektron zou platter moeten zijn dan een dubbeltje. Bolvormig rondcirkelende elektronen die daarvoor voortdurend van cirkelbaan zouden moeten veranderen als lastige vliegen rond een hoofd zijn uiterst ongeloofwaardig.
  • Als die elektronen allemaal rondcirkelen in de buitenste schil dan is dat een hoogst instabiele situatie aangezien ze elkaar natuurlijk allemaal onderling afstoten.
  • Hoe komt het dat het rondcirkelende elektron zijn bewegings­energie niet verliest via het uitzenden van elektromagnetische straling om daardoor uiteindelijk spiralend op de kern neer te storten? 

Dat laatste volgde namelijk onherroepelijk uit de klassieke elektro­magnetische theorie van Maxwell. Een versneld bewegende lading genereert een veranderend elektrisch veld en daarmee EM-golven. Dat is het principe van een radiozender. EM-golven vertegenwoordigen ener­gie. Het elektron zou daardoor al in een uiterst korte tijd al zijn ener­gie kwijtgeraakt moeten zijn.

Pag 78: Eind eerste paragraaf

Maar E = mc2 betekent dus ook dat een opgeladen AA NiMh cel een uiterst miniem beetje meer massa heeft dan in een ontladen toestand. Iets in de orde van 0,1 picogram = 10-10 gram.

Pag 148: Eind 1. Fullerenen interferentie

Zo’n fullereenmolecuul is meer dan 1.410.000 keer zwaarder dan een elektron.

Pag 216: De fotonwisser

Dit is niet het gevolg van een correctie door een lezer maar een kwestie van voortschrijdend inzicht van mijn kant.

De kans dat een foton op het scherm verschijnt in het brandpunt van de lens is inderdaad nul. Daar zullen geen fotonen verschijnen. Maar boven en onder dat brandpunt zullen vanwege verschillen in weglengte plaatsen van constructieve interferentie ontstaan, maxima dus.

Er ontstaan maxima boven en onder het brandpunt door verschillen in weglengte.

De fotonen die de laser verstuurt zullen dus wel degelijk op het scherm verschijnen, alleen niet in het brandpunt. Er gaat dus wel degelijk energie van de laser naar het scherm. Er is geen energiebehoud probleem. Het is alleen wederom lastig te begrijpen hoe een enkel foton, als dat als deeltje de weg van laser naar scherm aflegt, zichzelf verhindert om in het brandpunt te arriveren en kiest voor een andere locatie.

Dat het foton in deze opstelling onderweg niet fysiek bestaat is daarom nog steeds een goed verdedigbare conclusie. Maar dat het nooit bestaat is niet verdedigbaar. Er zijn reële gevallen waarin de verkregen informatie ons vertelt dat het ergens onderweg wel fysiek bestaan moet hebben. Bijvoorbeeld wanneer we, zoals bij de uitgestelde kwantumwisser met two-photon imaging via de idler informatie verkrijgen over de gekozen spleet. De toestandsvector van het foton moet dus daar dus een grootte gehad hebben die 100% kans om het foton daar aan te treffen bij meting betekent. Het foton lijkt dan in feite fysiek in de gekozen spleet geweest te zijn, dat is ook de reden dat de interferentie verdwijnt want in de andere spleet was de toestandsvector volledig nul en kan er van daar uit geen toestandsgolf meer verder reizen. Wat we ons moeten voorstellen bij een klein pakketje pure energie dat oneindig kort fysiek in de spleet bestaan moet hebben is natuurlijk de vraag. Er heeft in de spleet geen energieoverdracht plaatsgevonden, iets dat juist de kenmerkende eigenschap van een foton is.

Ook bij de reflectie van een foton op een oppervlak waarna het in een detector aankomt is de locatie waar het foton dat oppervlak geraakt moet hebben in principe af te leiden uit de dimensies van de opstelling. De toestandsvector op die locatie op het reflecterende oppervlak komt in principe daar ook overeen met 100% kans. De keus qua interpretatie daarvan is wat mij betreft als volgt:

  • oftewel het is inderdaad even fysiek op het oppervlak geweest,
  • oftewel die 100% kans betekent niets meer of minder dan dat het een een hoeveelheid informatie is die ons bewustzijn binnenkomt, een ervaring binnen ons bewustzijn die ook daarbinnen – foutief – geïnterpreteerd wordt als fysiek objectieve realiteit buiten ons.

Is dat eigenlijk nog wel zo’n groot verschil?